Naar inhoud

De hongerjaren 1845 - 1850

De bevolking neemt toe

Vanaf het midden van de 18de eeuw neemt de bevolking in Vlaanderen en ook in Wetteren snel toe. In 1750 telt Wetteren 3743 inwoners (schatting), in 1846 zijn er 8848 (tienjaarlijkse volkstelling). Meer mensen (+132,8%) dus die landbouwgrond zoeken om te bewerken. Dit leidt tot een versnippering van de beschikbare landbouwgronden en dus tot steeds kleinere landbouwbedrijven. De kleine boeren zoeken daarom noodgedwongen een aanvullend inkomen in het spinnen van vlas en het weven van linnen stoffen.


De linnennijverheid raakt in crisis

Vanaf 1837 brengt Engeland, waar de linnennijverheid sterk gemechaniseerd is, haar goedkoper en kwalitatief beter linnen op de Europese (vooral Franse) markt. Frankrijk reageert door zelf over te gaan tot mechanisering. Het verhoogt bovendien de invoerrechten op buitenlands linnen, hierin gevolgd door Spanje. In die tijd ook raakt katoen steeds meer ingeburgerd als alternatief voor huiselijk gebruik. De Vlaamse linnennijvheid vindt op al deze uitdagingen geen antwoord en raakt in crisis. De lijnwaadmarkt van Wetteren houdt op te bestaan in 1842. Er wordt vanaf dan alleen nog vlas en garen verkocht.

De linnenarbeiders krijgen steeds minder geld voor hun producten en zien hun inkomen gevoelig dalen. Steeds meer linnenwevers en vlasspinsters worden werkloos. In 1846 zitten 155 van de 350 Wetterse linnenwevers en 600 van de 900 vlasspinsters zonder werk. Velen zoeken een alternatief door een stukje grond te pachten en/of door als landarbeider bij de boeren te gaan werken. Het overaanbod aan landarbeiders zorgt ervoor dat hun loon niet meer stijgt. De pachtprijzen stijgen daarentegen wel, tegelijk met de verkoopprijzen voor landbouwgronden. In het kanton Wetteren stijgen ze tussen 1830 en 1856 met liefst 96%.


De oogsten mislukken

De winter van 1844-45 is uitermate streng. In Wetteren vriest de Schelde drie keer volledig toe : de eerste keer van 6 december 1844 tot 1 januari 1845, een tweede keer van 11 tot 26 februari en ten slotte nog eens van 5 tot 21 maart. Daags voor Goede Vrijdag bakt men nog wafels op het ijs !

De boeren poten in 1845 meer aardappelen om de schade aan de wintergewassen te compenseren. Ongelukkiglijk worden de aardappelen aangetast door een tot dan onbekende ziekte. De bladeren verschroeien en worden zwart, de knollen rotten in de grond. In Wetteren wordt de plaag voor het eerst opgemerkt op 26 juli. De ziekte blijft tot 1856 woeden, zij het minder intens dan in de eerste jaren.
In 1846 – het is droog en warm van maart tot in augustus - mislukt ook nog eens de oogst van graan- en meelgewassen.

De prijzen van de levensmiddelen stijgen uiteraard enorm. Op de markt van Wetteren stijgt de prijs van de aardappelen tussen 1841 en 1846 met meer dan 104%. De prijs van het roggebrood, het basisvoedsel van de gewone man, stijgt in Wetteren tussen begin 1846 en 1847 met 50%.


De armoede neemt toe

In Wetteren stijgt het aantal inwoners dat steun krijgt van het Bureel van weldadigheid (voorloper OCMW) tussen 1840 en 1846 met 12%. In Massemen-Westrem met 154% !

In 1846 is 30% van de Wetterse bevolking en 18% van de bevolking van Massemen-Westrem, afhankelijk van het Bureel van Weldadigheid. Doordat Wetteren een regionaal verzorgingscentrum is, telt het ook buiten de crisisjaren verhoudingsgewijs meer behoeftigen. Dat zijn meestal werkloze spinsters, dagloners, wevers en scheepstrekkers (denk aan de Schelde die ‘s winters toevriest).

Om de steun die het Armbestuur gaf aan de behoeftige gezinnen beter te organiseren richt het gemeentebestuur van Wetteren (op advies van de provincie) eind 1845 een Hulpcommissie van onderstand op. Deze commissie zamelt ook giften in.

De behoeftigen krijgen brood en bonnetjes die ze tegen levensmiddelen kunnen inruilen. Aanvullend krijgen ze dikwijls ook bonen. Kinderen die de armschool volgen krijgen soep. In Massemen-Westrem, waar ook een Hulpcommissie van Onderstand bestaat, krijgen de behoeftigen behalve brood en bonnetjes, ook rijst.


De criminaliteit stijgt


Wie honger heeft en geen geld bezit, gaat bedelen en wie niet krijgt wat hij afsmeekt, wordt uit noodzaak tot stelen gedwongen. De hongerige mensen stelen gewassen op de velden, in de winter hout om zich te kunnen verwarmen, eten, geld en kleding. Het aantal veroordelingen voor misdaden en overtredingen stijgt in Wetteren tijdens de crisisjaren : in 1840 zijn er 57 veroordelingen, in 1846 zijn er 151.

Om de stijgende criminaliteit het hoofd te bieden richt de gemeente al eind 1840 een nachtwachtdienst op. En in juni 1846 wordt een vrijwillige nachtwachtdienst georganiseerd, bestaande uit landbouwers, om tijdens de oogst de landbouwgewassen te beschermen. De inwoners worden bovendien gewaarschuwd dat kopers van gestolen goederen ook gestraft zullen worden. En aan rijkswacht en politie wordt gevraagd om frequenter te surveilleren op de velden.

Als in 1847 in Gent rellen uitbreken, stelt het gemeentebestuur van Wetteren een lijst samen van inwoners die bij eventueel oproer een gewapende macht kunnen vormen. Er komen gelukkig geen rellen.


Het aantal bedelaars stijgt

In de 19de eeuw behoren bedelaars tot het straatbeeld. De overheid staat bedelen toe, de gegoede burgers beschouwen het als hun plicht om een aalmoes te geven. Door de crisis neemt het aantal bedelaars echter schrikbarend toe. Ze worden een bedreiging voor de openbare orde.
In het verslag van het schepencollege van Wetteren van 1841 lezen we :

»In het begin van het jaar hebben een groot getal arme lieden de straten doorlopen om te bedelen, niet alleen de hoofden van de huisgezinnen, maar volle jonge lieden en kinderen. Dit getal groeit van jaar tot jaar aan. » In het verslag van 1843-44 staat : »Nooit had de bedelarij zo sterk aangegroeid dan den winter van 1842-1843. De straten werden met benden bedelaars van allen ouderdom doorkruist, de hofsteden der landbouwers werden om zo te zeggen belegerd en de bewoonders gedwongen aalmoesen te geven zelfs boven hun vermogen. »

De veldwachters noteren in hun rapporten :

« 25 à 30 vreemde bedelaars van de commune doen gaan met dreigementen » en « Verscheidene bedelaars gezien de welke bijna van honger crepeerden. »

In Massemen-Westrem neemt het aantal bedelaars niet toe. De bedelaars komen bovendien meestal van buiten de gemeente. Dat stelt ook het gemeentebestuur van Laarne vast : de bedelaars komen uit Gent, Wetteren en Kalken.

Om aan de bedelarij het hoofd te bieden, beslist het gemeentebestuur van Wetteren in augustus 1843 om het bedelen alleen toe staan aan mensen die door ouderdom of gebrek onbekwaam zijn om te werken. Deze mensen krijgen van het Armbestuur een medaille als bewijs dat ze mogen bedelen. Eind 1844 wordt elke bedelarij op het grondgebied van Wetteren verboden. 400 gezinnen moeten hun medaille inleveren. Bedelarij wordt streng bestraft met drie tot zes maanden gevangenisstraf.


Er is meer schoolverlet

Kinderen blijven weg van school, ook als die voor hen kosteloos is. Ze moeten mee geld verdienen (bedelen) voor het gezin. Het gemeentebestuur beslist daarom in mei 1843 dat alle kinderen van zeven tot vijftien de zondagsschool moeten bijwonen. In Massemen-Westrem krijgen de kinderen die naar school gaan, in de winter eten.


Er breken epidemieën uit


In crisitijd sterven meer mensen, niet zo zeer door uithongering als wel door een zwakke lichamelijke gesteldheid, waardoor ziekten als dysenterie, tyfus, tuberculose en cholera meer kans krijgen. In 1846, 1847 en 1848 krijgen in Wetteren 481 mensen tyfus, 69 mensen sterven. In 1849 heerst er een cholera-epidemie : 184 mensen worden ziek, 62 sterven.
Massemen-Westrem wordt getroffen door een tyfusepidemie in 1847-1948 : 52 inwoners worden ziek, 8 sterven (waaronder pastoor Jannis). In 1849 worden 10 inwoners getroffen door cholera, 3 sterven. Het sterftecijfer stijgt in Massemen-Westrem van 22 op 1000 inwoners in de periode van 1835 tot 1844, naar 32,2 in 1848.


Boeken in de bibliotheek

  • Dieptestudie naar de gevolgen van de economische en sociale crisis in de jaren 1840 in het kanton Wetteren / Ann Melkebeeck
  • Wetteren 1780-1900 : kroniek van een gemeente / René Uyttendaele