Naar inhoud

Wetteren in het steentijdperk

De steentijd (vanaf 2,5 miljoen jaar tot 2100 jaar geleden) wordt onderverdeeld in het paleolithicum (met het oud-, het midden- en het jong-paleolithicum), het mesolithicum en het neolithicum.

De Scheldevallei tussen Gent en Dendermonde (en verder tot Antwerpen) is rijk aan archeologische vondsten. Bij baggerwerken en zandontginningen kwamen in het verleden talrijke archeologische resten aan het licht. In Gent, Merelbeke en Uitbergen zijn zo werktuigen uit het midden-paleolithicum gevonden. Ze zijn echter moeilijk te dateren (tussen 250000 tot 35000 v. Chr.). Onderzoekers veronderstellen dat onze streken toen alleen tijdens de minder koude periodes bezocht werden door Neanderthalers. Tussen 24000 en 13000 v. Chr. - het laat-paleolithicum - zou het hier zelfs zo koud geweest zijn dat bewoning onmogelijk werd.

Daarna verzachtte het klimaat gevoelig. Dragers van de Tjongercultuur vestigden zich toen in de Vlaamse zandstreek. Ze betrokken tijdelijke kampementen op de zandruggen, gelegen langs waterlopen en plassen. Ze leefden van de jacht op groot en op klein wild.

De mensen uit het mesolithicum (van 9000 tot 4300 v. Chr.) vestigden zich op dezelfde plaatsen. In Melle, Heusden, Wetteren en Wichelen zijn spitsen gevonden uit been of hertengewei die tot 5.500 jaar oud zouden zijn . In Wetteren is ook een benen dolk (gemaakt uit de rib van een oeros) gevonden. De makers van deze spitsen en dolken behoorden tot de oldesloecultuur en kwamen zich vanuit het noorden in onze streken vestigen. Ze leefden van de jacht op kleiner (bos)wild en van plantaardig voedsel dat in het bos overvloedig aanwezig moet zijn geweest.

Tijdens het neolithicum - vanaf 5500 v. Chr. - verschenen de eerste boeren uit Centraal-Europa die zich alleen in het zuiden van ons land (op de leemplateaus) zouden vestigen. Wegens de karakteristieke decoratieve banden op het aardewerk dat ze gebruikten, wordt hun cultuur de bandkeramische cultuur genoemd.
Rond 4300 v. Chr. kwamen vanuit het Rijnland nieuwe groepen landbouwers - dragers van de michelsbergcultuur - naar onze streken afgezakt. Ze vestigden zich niet alleen meer op de vruchtbare leemgronden, maar ook op de minder vruchtbare zandlemige en zandige gronden. Deze mensen leefden van landbouw en veeteelt, maar ook de jacht was nog belangrijk.
De plaatselijke bewoners leefden waarschijnlijk verder volgens eigen tradities. Geleidelijk slechts namen ze gebruiken over van de landbouwers, eerst het pottenbakken, dan het houden van huisdieren. In het Scheldedal, o.m. in Berlare, Wichelen en Melle, zijn bijlen gevonden uit gewei, die uit deze tijd stammen.